“Indien er ooit een voortreffelijke plaats voor een monument werd gekozen, dan is het die voor het Troelstra-monument in het Westbroekpark in Den Haag. ‘Stedebouwkundig’ had men nauwelijks een betere kunnen vinden. Er is ruimte en er is achtergrond, er is voortreffelijk licht, genadeloos licht zou men willen zeggen, dat alles nog eens extra modelleert en de dingen scherp aftekent. Men beseft het: dit is het licht van de zee, die dichtbij is. Het schept een voortreffelijke voorwaarde voor het zien, maar het laat ook geen mogelijkheid iets te verdoezelen.”
Je leest het: hier is iemand aan het woord met een Mening. Iets verderop:
“Wanneer wij standbeelden maakten waren het doorgaans confectie-standbeelden zonder eigen snit. En ook de oogst aan oorlogsmonumenten is op den duur niet meegevallen, het klein aantal geinspireerde werken niet te na gesproken. Maar al die allegorische figuren met hooggeheven of uitgetrapte fakkels, al die nog net in het holte van twee handen geredde laatste vonken, al die handen-in-de-hoogte met hun smeekgebaren -, ge krijgt er wat van.”
Vervolgens gaat de schrijver helemaal los. Inmiddels begrijpen we dat het Troelstra-monument hier wordt gebruikt als kapstok voor de Mening.
“De huidige beeldhouwers willen in hun zoeken naar een suitable public language de raffinementen van een fin-de-siècle beeldhouwkunst gaarne vergeten. Zij weten, dat deze met het oeuvre van een Rodin een einde vond, een groots einde zeer zeker, maar niettemin een einde. Zij zien figuren als Maillol en Despiau zich vanuit de kracht van eigen grote begaafdheid inspireren op de mediterrane vormbeginselen. Maar zij willen nog verder gaan. Zij willen terugkeren tot oervormen van plastische structuur, zoals die in berg- en rotsformaties zijn waar te nemen, waar als het ware de machtige hand van de Schepper op rust. Daarbij schuwen zij het wanstaltige niet, want zij weten, dat de tijd van de schone, gecultiveerde en voltooide vorm voorbij is, of... nog niet is aangebroken. Zij hebben zelfs de geslotenheid van de plastische vorm willen doorbreken, ten einde hun beelden, zoals zij menen, nog onmiddellijker in de ruimte te laten opgaan. Met alle inconsequenties en plastische ongerijmdheden, welke verziekte breinen zich gehaast hebben uit te denken. Betekenen bijvoorbeeld de tot op hun botten afgekloven twee Europeanen een verdringing van plastische elementen door elementen van lager gehalte? Is het een intreden van barbarisering, dat wij af-en-toe een stel debielen met kikkerogen of wijd opengespalkte monden in rudimentaire koppen of dierlijke snuiten in technisch volmaakte, zelfs geraffineerde materiaalbehandeling krijgen voorgezet? Ik ben mij bewust, reeds door het stellen van deze vragen, de edele verontwaardiging op te wekken van bepaalde progressieve beoordelaars en hun claque.”
En zo verder. In het oorspronkelijke tijdschrift besloeg het artikel pagina’s 88 tot en met 94, maar het begon dan ook wel met een foto. Het hele artikel is te vinden op DBNL.
We sluiten af met een alinea waarin de auteur ook nog even wil laten weten dat hij Troelstra van gezicht kende en nog even benadrukt dat hij niet van de straat was:
“De vormgeving van het beeld draagt geheel het karakter van het geboetseerde kleimodel in een zeer summiere, maar ook zeer breed opgevatte behandeling. Zij is sterk gebouwd op de werking van het licht-donker, juist ook in de kop, die zeer expressief is met de donkere belijning van mond en snor en de wat eigenaardige stand van de ogen. Toch heb ik juist tegen de kop wel een paar bezwaren. In mijn herinnering was Troelstra peziger en scherper - ‘een snedig koppie’, schreef de schilder-schrijver Jan Veth, die tegenover Troelstra in de trein had gezeten, aan een vriend -; hier is hij naar mijn smaak iets te opgeblazen en te pathetisch-rethorisch.”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten