11 mei 2012

Programmers' logic

De theetafel, oefenschool voor het bordeel

"Het moet een iegelijk in het oog loopen, dat de gewoonte van theedrinken het ligchaamsgeſtel moet verzwakken, en onbekwaam maken tot het doorſtaan van harden arbeid en ruw weêr, dewijl, zoo als ik aangetoond heb, dezelve de middelen, om den buik te vullen, en het ligchaam te dekken, vermindert. Hieruit ontſtaat eene weekelijkheid, eene verwijfdheid, een trachten naar het vuur, een trek om te bed te blijven liggen, en, kortom, al de kenmerken van traagheid, waarvoor, in dit geval, werkelijk gebrek van kracht eene genoegzamen grond oplevert. Het theedrinken vult de herbergen, maakt het bezoeken derzelve gemeenzaam, bederft de jongelingen, zoodra zij kunnen uitgaan, en doet weinig minder kwaad aan de meisjes, voor welke het geſnap van de theetafel geen ſlecht oefenschool voor het bordeel is. Op zijn allerminst leert het aan dezelve ledigheid. Het gedurig treuzelen met het geſlobber van de theetafel, geeft haar een' tegenzin in alles, wat kracht en werkzaamheid vordert. Wanneer zij haar ouders huis verlaten, kunnen zij niets nuttigs doen: brouwen, bakken, boter karnen, melken, gevogelte oppasſen, geen ding ter wereld, dat van nut is. Het opſluiten van arme jonge ſchepsels in fabrijken, is niet niet loffelijk, maar daar doen zij echter iets, dat nuttig is; terwijl het meisje, dat enkel wordt opgebragt, om het theewater te koken, en onder het drinken derzelve te ſnappen, dat daarvan onafſcheidelijk is, eene enkele eetſter is, een pest voor haar' meester en een vloek voor haren man, indien iemand zoo ongelukkig mogt wezen, het oog op haar te laten vallen."

Uit: De Star, een tijdschrift uitgegeven van wege de permanente kommissie der maatschappij van weldadigheid.
Amsterdam, 1826




08 mei 2012

The update application has been updated

The update application has been updated and must restart in order to continue

'dat tusschen het fatsoen der kleederage van eenen soldat en die van eenen boer een merkelijk onderschijd zij en blijve'

Het Korps Vrijnegers
In verband met de strijd tegen de Marrons in het Cotticagebied (Oost-Suriname) werd in 1772
het Korps Vrijnegers - ook wel 's Lands Vrijkorps - opgericht, bestaande uit speciaal daartoe
aangekochte slaven. Deze slaven werden na aankoop vrij verklaard. Zoals de naam vrijkorps
al aangeeft behoorde het Korps Vrijnegers niet tot de geregelde troepenmacht. Aanvankelijk
telde het Korps Vrijnegers 116 man. De vrijnegers werden gekleed in een duffelse broek met
een groene muts met klep. Op de klep was met wit lint een volgnummer aangebracht. Nog in
het jaar van oprichting werd de groene muts vervangen door een rode. Dit leverde hun de
bijnaam 'Redimusu' (roodmutsen) op.
Het Korps Vrijnegers kreeg in 1776 een montering bestaande uit een groen buisje. Vanaf
1793 werd het korps door de monteringskamer gekleed. De montering bestond toen voor een
conducteur (een Europese onderbevelhebber) uit een rok, witte camisool en broek en een
officiershoed met troetels, zilveren lis en oranje kokarde. Onderofficieren en vrijnegers
droegen een korte rok met een witte camisool en broek en respectievelijk een hoed van een
opperjager en een jager met een oranje kokarde. Daarnaast waren de onderofficieren en
vrijnegers uitgerust met een kort jasje en lange broek en een hemd van Friesbont. [29] De rok
en jas waren waarschijnlijk groen.

De uniformering van de militie in Suriname in de achttiende eeuw