26 juni 2026

Tuuntje, Karel Čapek

Tuuntje, Karel Čapek, omslag
Tuuntje, of het leven van een jongen hond, verteld, getekend, gefotografeerd en beleefd door Karel Čapek, is typisch zo’n boek dat je maar zelden bij een kringloopwinkel tegenkomt. Wat we hier hebben is de tweede druk uit 1938, tragisch genoeg het jaar waarin de schrijver overleed. De Nederlandse uitgever van deze uitgave is Van Holkema & Warendorf, Amsterdam. 

De oorspronkelijke titel is Dášeňka, en het boek is inmiddels opnieuw uitgebracht onder de titel ‘Dasja, oftewel het leven van een pup’. Het werkje is smullen, zelfs als je niet van honden houdt. En als je eenmaal de naam Tuuntje in je systeem hebt zitten, komt Dasja er niet meer in, vrees ik. Hoe dan ook: elke versie van dit boek is een aanrader voor alle leeftijden.
Tuuntje, of het leven van een jongen hond, Karel Čapek
Tuuntje, Karel Čapek, pagina met tekening
Tuuntje, Karel Čapek, pagina met tekeningen
Tuuntje, Karel Čapek, pagina met foto’s

25 juni 2026

Daarheen en weer terug

Je ziet een vlag met een achternaam die akelig veel op de jouwe lijkt.
Manokwarivlag in vitrine in Museum Bronbeek
Museum Bronbeek, Arnhem. Eigen foto, juni 2026.

Je leest wat.
In Nieuw-Guinea bleef een groep uit handen van het Japanse leger . Onder leiding van Willemsz Geeroms en Kokkelink overleefden ze in de bossen. Het grootste deel van de groep kwam om. Men bewaarde de hele oorlog door de Nederlandse vlag en schonken het aan Koningin Wilhelmina die Museum Bronbeek een betere bewaarplaats vond. 
Manolwari-vlag = Bronbeek


Je leest wat meer.
[...] Ik realiseerde mij plotseling hoeveel jonge mannen we hadden verloren, eigenlijk alleen nog maar in prikacties. Maanden waren voorbij gegaan. De jaren konden we ook al tellen. Daar trokken we dan sedert jaar en dag door de rimboe. Als nomaden. Een grote groep mensen, ondersteund door een paar kleine eenheden, die op verkenning uitgingen en hier en daar een stelling betrokken.

Ik dacht aan soldaat De Mey, die tijdens de mars naar de kust van een steile berghelling was getuimeld. Met volle bepakking stortte hij in een twintig meter lager gelegen rivier. Hij had nog het geluk dat de rivier op dit punt zeer diep was, anders zou hij de val nooit hebben overleefd. Hij was nog bij kennis, toen zijn kameraden uit de grote groep die ons was voor gegaan, hem uit het water hielpen. De val had hem echter zoveel letsel bezorgd, dat hij niet meer op eigen kracht verder kon. 

De commandant stond voor een tragische beslissing. De voedselschaarste was zo nijpend, dat vertraging van het marstempo catastrofaal zou kunnen zijn. Daarom werd besloten dat de gewonde alleen zou achterblijven, in een klein bivak, dat speciaal voor hem werd opgeslagen. De kapitein beloofde hem, dat hij zo spoedig mogelijk zou worden opgehaald.

Ik wist wat het betekende alleen te zijn, omringd door vele vijanden: de rimboe zelf, de Jap, vermoedelijk de bevolking, de angst, en de verbeelding, die de angst voedt. Soldaat De Mey was bovendien nog gewond. Ik vroeg mij af of ik een dergelijke beslissing zou hebben aangedurfd. Zouden er geen dragers te vinden zijn geweest in de grote groep? De Mey was er vermoedelijk zo beroerd aan toe, dat hij niet eens de omvang van de situatie doorzag. Misschien was hij wijsgeriger dan ik en had hij zichzelf voorgehouden dat aan alles een einde komt, óók aan het leven.

Drie dagen en drie nachten heeft De Mey het moeten stellen met zichzelf en met de pijn. De vierde dag kwamen de militie-soldaten Attinger en Mellenbergh hem ophalen. Nu ineens bleken twee mensen voldoende om de gewonde naar het hoofdkwartier te brengen.

In deze situaties doorziet men wel wat kameraadschap vermag, kameraadschap die des te sterker wordt naarmate men meer in de penarie zit. We waren allemaal opgelucht. Ik denk dat iedereen zich verantwoordelijk achtte voor het leven van De Mey. Niemand vocht de beslissing van de commandant openlijk aan, maar ik ben ervan overtuigd, dat iedereen er ongeveer dezelfde mening op na hield en gedacht heeft: Zou ik een dergelijke beslissing genomen hebben?

[...]

Behalve onze twee gewonden, Sandiman en Koch, was ook militie-soldaat De Mey er slecht aan toe. Hij leed aan een tropische zweer, die moeilijk te genezen bleek.
De rest van de groep mocht dan weliswaar gezond zijn, maar was zo verzwakt, dat we in geval van een directe confrontatie met de vijand geen schijn van kans maakten. De langdurige ontberingen hadden teveel van ons geëist.

[...]

De ongelijke strijd in de Vogelkop van Nieuw-Guinea, ónze strijd mocht dan ten einde zijn, het eigenlijke, het gróte gevecht met de Jap was nog in volle gang. Er kon geen soldaat gemist worden. Van onze groep waren het F. Coenraad en I. Koch die het eerst naar het front gingen. Zij werden ingedeeld bij het Nica-detachement, dat samen met de geallieerden de landing bij Tarakan op het eiland Borneo moest uitvoeren.
Sergeant M. Ch. Kokkelink kreeg een aanstelling bij de M.P. en vertrok opnieuw naar Nieuw-Guinea. L. Attinger en G. de Mey werden naar Melbourne overgeplaatst en ingedeeld bij de motorpool.
(Bron: De ongelijke strijd in de Vogelkop, P.P. de Kock.)


Je ontdekt een foto op de site van Museum Bronbeek.
Portret van G.R.W. de Meij 1981. Uit een reeks van acht portretten van oud leden van de verzetsgroep Kokkelink gefotografeerd door Theo van Houts.
Portret van G.R.W. de Mey 1981. 
Uit een reeks van acht portretten van oud leden van 
de verzetsgroep Kokkelink gefotografeerd door Theo van Houts.


Je ontdekt dezelfde foto, en meer, in een krantenartikel.
Deel van krantenartikel 'De ongelijke strijd in de Vogelkop' met foto en tekst van Gustaaf de Mey
Gustaaf de Mey 
Zevenenzestig jaar, getrouwd en woonachtig in Zevenaar. Voelt zich “eigenlijk wel een tevreden mens. Ik heb vier kinderen, die allemaal goed terecht zijn gekomen, dus wat zal ik klagen?” Geniet een klein pensioen voor bewezen diensten als beroepsmilitair. “Af en toe komt er nog weleens iets boven uit de strijd op Nieuw-Guinea. Ik heb mijn vader, moeder, drie broers en een zusje verloren, maar ik laat me niet leiden door depressies, daar schiet je niets mee op. Ik probeer optimistisch te zijn, anders is het niet vol te houden. De ellende zoveel mogelijk vergeten, dat lijkt me ’t beste.De mensen begrijpen toch niet wat wij hebben meegemaakt. En de andere guerrillastrijders zullen beamen hoe weinig blijk van waardering we later hebben gekregen, en hoe de hulpverlening nooit van de grond is gekomen. Teleurstellend, maar ’t is nu eenmaal zo.”
Deel van krantenartikel 'De ongelijke strijd in de Vogelkop'
Deel van krantenartikel 'De ongelijke strijd in de Vogelkop'

En na zoektochten op genealogische en historische sites ontdek je een naam op een naamplaatje, niet al te ver weg.
Naamplaatje G.R.W. de Mey en G.M. de Mey-Nish, Crematorium Moscowa, Arnhem
Naamplaatje G.R.W. de Mey en G.M. de Mey-Nish, Crematorium Moscowa, Arnhem
De laatste eer is inmiddels bewezen, en de cirkel is rond. Ondanks de afwijkende spelling van de achternaam (De Mey in plaats van De Meij) blijkt Gustaaf de Mey niet alleen familie te zijn geweest, maar ook nog eens op slechts een paar honderd meter afstand van jou te hebben gewoond. 

Genealogisch onderzoek blijft een vreemde en verrassende hobby.

(^: Dit artikel was niet mogelijk geweest zonder de hulp en informatie van Michael Veltman.)

20 juni 2026

Aanwijsplaten (649)

Aanwijsplaat, Scheveningen

Aanwijsplaten (648)

Aanwijsplaten, Den Haag

Indrukken van een zwervelinge

Omslag van het boek ‘Hollandsche vrouw in Indië’, door M.C. Kooij-v.Zeggelen
We hebben een boek in handen: De Hollandsche Vrouw in Indië, ondertitel Indrukken van een zwervelinge door M.C. Kooij-v. Zeggelen. Het omslag is uitgevoerd in de stijl van de ‘Nieuwe Kunst’ die populair was rond 1900. Wie zoekt, vindt veel boeken die dezelfde visuele stijl hebben als deze uitgave, maar vreemd genoeg lijkt deze specifieke uitgave van Scheltema & Holkema online nauwelijks gedocumenteerd. 

Volgens Boekmeter kwam dit boek oorspronkelijk uit onder de ondertitel Indrukken van een zwervelinge en was de gebruikte auteursnaam Marie van Zeggelen. In het standaardwerk De Oost-Indische Spiegel door Rob Nieuwenhuys (editie 1972) vinden we de zinsnede ‘Mevrouw Kooij-van Zeggelen (1870–1957), later schrijvende onder haar meisjesnaam Marie C. van Zeggelen, [...]”. Deze formulering is helaas net iets te dubbelzinnig om ons verder te helpen. We zoeken voort.

In Marie Christine van Zeggelen en het voormalige Indië van Jef Notermans, oorspronkelijk verschenen in het tijdschrift Roeping, jaargang 27 (1950–1951), en terug te vinden via dbnl, lezen we: 
Het Haagse meisje Marie Christine van Zeggelen is o.m. door haar studie aan de Academie voor Beeldende Kunsten in de hofstad al gerijpt tot vrouw, eer zij koers zet naar het verre Oosten. Ongeveer een jaar zwerft ze over Java, totdat de zoveelste militaire mutatie haar gezin naar Celebes doet verhuizen. Aanlokkelijk kon men toentertijd de standplaats Soppeng geenszins noemen. De bevolking, althans een gedeelte van de bewoners in het gebied van Boni droeg nog de sporen van de expeditie onder kolonel Van Loenen in 1905. 

De positie van een Nederlandse vrouw op dat moment tussen enkel Indonesiërs was niet benijdenswaard. Marie van Zeggelen heeft ons dit vrij nauwkeurig beschreven in de ‘Brieven van een Zwervelinge’. Deze bundel herdoopte zij bij de herdruk in ‘De Hollandsche Vrouw in Indië’. (Ondertitel: Indrukken van een Zwervelinge. Amsterdam, z.j.).
Het zou goed kunnen dat we hier met die herdruk te maken hebben. Ons exemplaar is immers ongedateerd. Dat brengt ons niet heel veel verder voor wat betreft deze specifieke uitgave, maar we hebben in elk geval wat achtergrondinformatie. Misschien is het nu dan tijd om het boek eerst eens te lezen.
Voorblad van ‘De Hollandsche vrouw in Indië’, door M.C. Kooij-van Zeggelen
Op de titelpagina van deze uitgave staat het karakteristieke uitgeversvignet van Scheltema & Holkema's Boekhandel te Amsterdam. van Scheltema & Holkema’s Boekhandel te Amsterdam. Het art-nouveau-achtige vignet behoort tot een reeks ontwerpen die door Gerrit Willem Dijsselhof voor de firma werden vervaardigd. We zien de initialen van Klaas Groesbeek en Paul Nijhoff, de directeuren van boekhandel Scheltema & Holkema in Amsterdam, in een ruit die verder is opgevuld met een rozenstruik en twee vissen.
Vignet van Gerrit Willem Dijsselhof met de initialen van Klaas Groesbeek en Paul Nijhoff, de directeuren van boekhandel Scheltema & Holkema in Amsterdam
Voor de beeldvorming is nog een andere bron interessant. In het archief van het Museon-Omniversum bevinden zich vijftien doosjes met glasnegatieven, gemaakt tussen 1890 en 1916 in Nederlands-Indië. De beelden geven niet alleen een indruk van het dagelijks leven in de kolonie, maar werpen ook licht op het Nederlandse koloniale bestuur vanuit het perspectief van de officier Herman Kooij (18681950) en zijn echtgenote, de schrijfster Marie van Zeggelen (18701957). De foto's zijn terug te vinden door in de catalogus te zoeken op de term ‘Kooij’.

19 juni 2026

Lezing ‘Van spekkoek tot Tjalie Robinson’

Lezing ‘Van spekkoek tot Tjalie Robinson’. Jeroen Dewulf, Bronbeek, Arnhem, 18 juni 2026
Soms wil je ineens naar een lezing en dan blijkt-ie ook nog eens heel erg de moeite waard te zijn. Met dank aan Jeroen Dewulf. Museum Bronbeek, Arnhem, 18 juni 2026.
Lezing ‘Van spekkoek tot Tjalie Robinson’. Jeroen Dewulf, Bronbeek, Arnhem, 18 juni 2026
Lezing ‘Van spekkoek tot Tjalie Robinson’ over de Portugeestalige Mardijkers en de Indische gemeenschap. Jeroen Dewulf, Bronbeek, Arnhem, 18 juni 2026
Lezing ‘Van spekkoek tot Tjalie Robinson’. Jeroen Dewulf, Bronbeek, Arnhem, 18 juni 2026
Lezing ‘Van spekkoek tot Tjalie Robinson’. Jeroen Dewulf, Bronbeek, Arnhem, 18 juni 2026

15 juni 2026

Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 25

Ingeplakte gedroogde roos, de ‘laatste roos uit onze tuin in Bandung’

We zijn aangekomen bij de laatste pagina van ons poesiealbum en zien een ingeplakte gedroogde bloem met daaronder de tekst:

De laatste roos uit onze tuin in Bandung

De laatste regel lijkt een adres te bevatten. De afkorting 'Dj.' staat vrijwel zeker voor Djalan (straat). Hoewel de straatnaam niet volledig leesbaar is, zou de lezing 'Westhoff 25' goed passen bij het handschrift en bij de historische straatnaam Westhoffweg in Bandung.

We pakken het eerste blogartikel over dit poesiealbum er nog eens bij en bekijken de paspoortaanvraag van Winny Baume. En inderdaad: bij ‘Huidige vaste woonplaats en adres’ staat Westhoffweg 25, Bandung ingevuld. Hetzelfde geldt voor de paspoortaanvraag van haar moeder.

Zo is de cirkel voor dit poesiealbum rond. Winny blijkt het boekje niet alleen te hebben gebruikt als memento, maar ook als adresboekje en als plek om een foto en een gedroogde bloem te bewaren.

Er zijn zeker nog vragen. Mogelijk volgt er over enkele dagen of weken nog een blogartikel met wat conclusies of een korte epiloog. Maar voor nu is het boekje gesloten en veilig opgeborgen.

Mocht u menen de rechtmatige eigenaar van dit boekje te zijn, dan kunt u contact opnemen via een reactie onder een van de berichten in deze reeks.

Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 22, 23 en 24

Pagina met handgeschreven adressen
In ons vorige artikeltje hadden we al gezien dat het laatste deel van ons poesiealbum wat onoverzichtelijker is dan de rest. Pagina 22 is leeg en niet gefotografeerd. De volgende bladzijde lijkt bewust uit het boekje gesneden of gescheurd om te gebruiken als adreslijstje.
Pagina met handgeschreven adressen
Op de ene kant van het papier zien we adressen in Bandung, Surabaja en Djakarta. Op de andere kant staan adresssen in Djakarta en Solong.

Het laatste adres is interessant, want hier zien we:

J. Beijerinck
R.K. Missie (Meisjes Internaat) 
Solong

Dit werpt een ander licht op de handtekening op pagina 21. Er lijken helaas geen directe koppelingen vindbaar tussen een J. Beijerlinck en de missie in Sorong (toen vaak gespeld als Solong), dus dit spoor loopt alsnog dood.

In Sorong bestond een rooms-katholieke missiepost met een meisjes­internaat, aanvankelijk geleid door de Missionarissen van het Heilig Hart (MSC) en later door de Franciscanessen van Veghel. Het was een van de eerste katholieke onderwijs­instellingen voor Papoea-meisjes in de Vogelkop-regio.

Een van de meest informatieve bronnen over de aanwezigheid van de Missionarissen van het Heilig Hart in de Vogelkop is de pagina Zeventig jaar Franciscanen in Papua. Daarin wordt beschreven dat de MSC vanaf het begin verantwoordelijk waren voor de katholieke missie in Sorong, Manokwari en langs de noordkust van de Vogelkop.

Een andere interessante bron is Met de Papoea’s samen op weg van Jan Boelaars MSC. Dit document behandelt de vroege missieposten in de Vogelkop, waaronder die van Sorong.

14 juni 2026

Poesiealbum Padang S.W.K., losse foto

Groepsfoto, Djakarta 1952
We naderen de laatste pagina’s van het poesiealbum en het geheel wordt wat minder overzichtelijk. Tussen pagina 22 en 23 is een losse foto gestoken: een groep lachende mensen poseert voor de camera. Op de achterkant van de foto vinden we de tekst:

Opgenomen te Djak 10‑11‑1952.
Kun je mij nog vinden?

‘Djak’ staat hier vrijwel zeker voor Djakarta. Het verwijst niet naar een plaats in Nieuw-Guinea of naar een andere stad op Java, en de afkorting wordt vaker gezien in fotoalbums (zoals we in dit album de afkorting ‘Bdg’ voor Bandoeng zagen). De vraag is of we Winny Baume nog kunnen vinden. Wie de foto van de paspoortaanvraag in het eerste artikel over dit poesiealbum erbij pakt, zal haar waarschijnlijk vrij snel herkennen.
Achterzijde van goepsfoto, Djakarta 1952, met handgeschreven tekst en ansichtkaartbedrukking
In die periode was Djakarta voor veel Indo’s een stad vol kansen en onzekerheden: niet gevaarlijk in de zin van een oorlogssituatie, maar wel politiek gespannen, sociaal veranderend en juridisch complex. Een plek waar de toekomst nog alle kanten op kon.

Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 20 en 21

Twee pagina's an een poesiealbum. Op de rechterpagina alleen het woord ‘Gereserveerd’ en een handtekening.
Ook op deze pagina's van ons poesiealbum zien we rechtsboven alleen het woord Gereserveerd en een datum, in dit geval  Aug. ’51. Daaronder een handtekening. Deze keer is de handtekening wel iets beter leesbaar. De meest aannemelijke lezing lijkt te zijn: 

J. Beijerinck 

Dankzij voortschrijdend inzicht is inmiddels duidelijk dat Henri Baume, de vader van Winny Baume, destijds een bekende ondernemer was in Manokwari: hij was de eigenaar van Houtzagerij Baume, gevestigd bij Pasir Putih (Pasir Poetih) net buiten Manokwari. Zijn bedrijf speelde destijds een belangrijke rol bij de naoorlogse opbouw van de kolonie en het verslepen van boomstammen uit de jungle.
Pagina van een poesieaLBUM MET alleen het woord ‘Gereserveerd’ en een handtekening
Op basis van de beschikbare bronnen komen vooralsnog twee personen met de achternaam Beijerinck naar voren die mogelijk met deze handtekening in verband kunnen worden gebracht:

Ir. J. (Jan) Beijerinck – Houtvester en bosbouwkundige 
Omdat Henri Baume een grote commerciële houtzagerij runde, werkte hij geregeld nauw samen met de Dienst van het Boswezen.

J.L. Beijerinck – Bestuursambtenaar
Uit de archieven van die periode (en de interneringskaarten uit de Indische periode) komt ook een J.L. Beijerinck (geboren 14 juli 1900) naar voren die de overstap maakte naar het overbestuur. In het kleine, hechte netwerk van Nederlandse expats en Indische nieuwkomers in Manokwari rond 1951 bewogen de hogere bestuursambtenaren en ondernemers zich grotendeels binnen dezelfde sociale netwerken.

In de digitale archieven van de Universiteitsbibliotheek Leiden en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) zijn originele historische foto's van Houtzagerij Baume uit exact deze periode (vroege jaren 1950) bewaard gebleven.

In het reisverslag Manokwari anno 2009 van reisschrijver en fotograaf Dennis Kloeth (die zelf als kind in Manokwari opgroeide) wordt expliciet stilgestaan bij de erfenis van de familie Baume.
Foto met bijschrift uit het reisverslag ‘Manokwari anno 2009’ van reisschrijver en fotograaf Dennis Kloeth

Update: De naam J. Beijerinck duikt ook op in een latere bron, waar deze persoon wordt geplaatst bij de R.K. Missie (meisjesinternaat) in Sorong, aan de noordwestkust van Nieuw-Guinea. Het is dus heel goed mogelijk dat de hele onderzoekslijn hierboven uiteindelijk onjuist is. Desalniettemin heb ik toch maar besloten deze informatie hier te laten staan, omdat de gebruikte bronnen en verwijzingen nog steeds van pas kunnen komen bij verder onderzoek.

Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 18 en 19

Twee pagina's uit een poesiealbum. Op de pagina rechts alleen het woord ‘Gereserveerd’ en een handtekening
Op de volgende pagina's van ons album zien we iets vergelijkbaars als op pagina 16/17: bovenaan alleen het woord Gereserveerd en daaronder een handtekening. Helaas blijkt deze handtekening niet te ontcijferen.
Pagina van een poesiealbum met alleen het woord ‘Gereserveerd’ en een handtekening
Handtekening op geel papier