‘...Maar zooals nu de meisjes haar “aan kunst doen,” dikwijls opvatten, niet als middel maar als een doel, een levensvulling, och arme! bij gebrek aan beter, is het heusch erbarmelijk! Daar zitten ze, uren en uren zich uit te sloven, met een krachtsinspanning, een volharding, een betere zaak waardig, en ze weten allemaal dat er toch nooit iets waarachtig goeds, iets boven het middelmatige uit haar worden zal. Maar toch gaan ze voort met verwoeden ijver! Het is met dat penseelen en vingeroefenen zoo ongeveer net als met het tennissen en wielrijden. Als je die dingen gebruikt om beweging in de frissche lucht te nemen en je te ontspannen na ander werk, zijn dat ook verrukkelijke uitvindingen, maar als je bij wijze van levensdoel dag in dag uit gaat staan tennissen of op een fiets zit, wordt het bepaald degoutant! Dat vind ik ten minste...’
Uit: Cécile de Jong van Beek en Donk, Hilda van Suylenburg. Feministische Uitgeverij Sara, Amsterdam 1984 (fotomechanische herdruk van de uitg.: Scheltema & Holkema, Amsterdam 1897). Via dbnl.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten