Posts tonen met het label 1904. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1904. Alle posts tonen

11 juli 2012

«Het Neger-Hollandsch op de Deensche Antillen»


WETENSCHAP EN KUNST.
 Vrijdagavond heeft de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden weder de eerste harer maandelijksche vergaderingen gehouden.
 Na afloop van de huishoudelijke werkzaamheden hield Dr. D. C. Hesseling, te Leiden, eene voordracht over «het Neger-Hollandsch op de Deensche Antillen».
 Hoewel deze eilanden nooit aan Nederland hebben behoord, was in de 17e en 18e eeuw onze taal aldaar de meest verspreide. Naast het Nederlandsch was er echter uit den omgang der planters met hunne slaven een eigenaardig Neger-Hollandsch in gebruik gekomen, dat nog heden niet geheel is uitgestorven.
 In dit Kreoolsch zijn op het einde der 18de en in het begin der 19de eeuw een klein getal geschriften ontstaan, welke deze taal vrij volledig leeren kennen.
Het zijn vertalingen van het Nieuwe Testament, door Deensche en Duitsche zendelingen, onafhankelijk van elkaar, bewerkt; eenige boekjes ten gebruike bij het godsdienstonderwijs; en een paar spraakkunsten, welke tevens samenspraken en eene verzameling van spreekwoorden bevatten.
 Deze literatuur is, toen in de 19de eeuw het Engelsch ook hier de algemeene taal werd, in volslagen vergetelheid geraakt, zoodat buiten deze eilanden zelfs het bestaan van het Neger-Hollandsch zoo goed als geheel onbekend werd. De geschiedenis van het Neger-Hollandsch en de wijze, waarop het ontstaan is, werden door spreker behandeld. Uit de teksten deelde hij verschillende proefjes mede. Ten slotte vergeleek hij dezen uitlooper van onze taal met het Afrikaansch en wees op de punten van overeenkomst en van verschil, welke tusschen beide gemengde talen zijn op te merken.


Uit:
Het nieuws van den dag : kleine courant
10-10-1904

05 juni 2010

Maîtresse

'Maîtresse', ets van Louis Auguste Mathieu Legrand:
(Maîtresse, ets van Louis Legrand)


Maîtresse

Een man uit dezen tijd :
In 't dompig duistren van de late lenteschemer,
In 't beurschen van dit voorjaar naar den strakken zomer,
In 't dompig duistren zal ik rijzen naar uw borst
En rillen in uw lust.

                                          Gij, bij de doffe zucht
Van mijne voeten in uw zwaar-bekleede gang,
Gij, die bij het dreunend gongen van uw ree begeeren,
Deed huivren uit een mist van blinkend dekgewaad,
Waardoor de ruisching sluipt van loom-doorzwoelde plooien
En 't vreemde vleien van den weeken droom der dorsten
Het gloeiend bleek-zijn van uw nauw-omragde lijf, —
Die hief de geur-bestroomde, pralend gulden bekers,
Van uwe handen naar het smachten uwer haren,
Dat dronken die de volheid van verdwaasde drift, —
Die tastte naar de hellen van uw hemelsch lichaam
En wond de glanzend-klamme vochtheid van uw haar
Rondom, rondom u zelve als natte vreugdekoorden, —
In 't beurschen van dit voorjaar naar den strakke zomer,
In 't dompig duistren zal ik rijzen naar uw borst
En rillen in uw lust.

                                          Gij wéét, wat in mij schreeuwt
Om klaatrende verzadiging, — want enkel ù,
Die woelt in wellust en 't begrijpen niet veracht,
Die pijnt zich zelve tot een strakke lust, en wéét
Een eeuwigheid te dorsten voor één uur van dronk.
Want hebt gij niet, toen in een andre late lente
Uw borsten die, nu rijp, een donker kant verhoogt,
U, wondrend, wiessen als een nooit gedroomd geheim
En gij in u de wrange trilling hebt gevoeld
Naar 't lang-verborgen wezen van uw sluimrend leven,
Hebt gij toen niet uw jonge schoonheid uitgefeest

Voor 't grissen van dien schilder die u staren deed
Dóór 't dompig duistren van de late lenteschemer
Dóór 't brandend bronnen van wit-mistend zonlicht,
(In 't prille droomen van uw rook-ontvlamde jeugd,
In 't teeder waas dat om uw leden hing, en naakt,
En heerlijk naakt gelijk die dompe schemering)
Naar 't gretig wild-omstreeld en vreemd geheim-gezicht
Van eenen phallus, die zijn grootten, rooden gloed
Deed wédergloeien in uw nooit-ontmaagde lijf,
Dat in die zwoele gloeiing nòg niet werd ontmaagd?
Zoo hebt gij veel, heel veel geweten, en zoo weet
Ge een eeuwigheid te dorsten voor één uur van dronk.

(Fragment uit het gedicht Maîtresse van P.N. van Eyck, zoals afgedrukt in De getooide doolhof, tweede vermeerderde druk, Amsterdam 1911)

Blogartikel geïnspireerd door hernieuwde kennismaking met De briefwisseling tussen P.N. van Eyck en Albert Verwey, Deel 1, Achter het boek, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag (1988), waarin zowel de ets van Legrand als een (langer) fragment van het gedicht van Van Eyck te vinden zijn.