Posts tonen met het label Menno Wigman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Menno Wigman. Alle posts tonen

01 juni 2023

Morgue

In de eerste aflevering van de Poëziepodcast met als gast Menno Wigman hoorde ik zijn vertaling van het gedicht Kleine Aster (1912) van de Duitse dichter Gottfried Benn. Het is zeker twintig jaar geleden dat ik de Duitse versie van dit gedicht las en net als toen was ik ook nu van de Nederlandse versie zeer onder de indruk. Het oorspronkelijke gedicht gaat als volgt: 

Ein ersoffener Bierfahrer wurde auf den Tisch gestemmt.
lrgendeiner hatte ihm eine dunkelhellila Aster
zwischen die Zähne geklemmt.
Als ich von der Brust aus
unter der Haut
mit einem langen Messer
Zunge und Gaumen herausschnitt,
muß ich sie angestoßen haben, denn sie glitt
in das nebenliegende Gehirn.
Ich packte sie ihm in die Brusthöhle
zwischen die Holzwolle,
als man zunähte.
Trinke dich satt in deiner Vase!
Ruhe sanft,
kleine Aster!

M’n gedachten namen een vreemde wending. Gottfried Benn had in een lijkenhuis gewerkt, wat de insteek een beetje verklaart, en ik dacht, waar ken ik dat toch van? Na wat peinzen was er ineens een oh ja

In een grijs verleden, toen in nog in Den Haag woonde, heb ik daar bij De Slegte een boek gekocht over de Sloveense kunstschilder Jože Tisnikar. Ook deze man heeft in een mortuarium gewerkt en wist die ervaring op een bijzondere manier te verwerken. Zie bijvoorbeeld dit:
Rojstvo in smrt, Jože Tisnikar
Sommige mensen zullen het misschien morbide vinden maar ik vind het troostende kunst. Het idee dat er in de kille en onverschillige kosmos zoiets bestaat als lichtpuntjes van onbaatzuchtig medeleven. Ook in het aardse tranendal is soelaas te vinden. Ook in Mordor groeien bloemen. 

De Nederlandse versie van Kleine Aster, vertaald door Menno Wigman: 

Een verzopen bierbezorger werd op de tafel gehesen. 
Iemand had een donkerlichtlila aster 
tussen zijn tanden geklemd. 
Toen ik vanuit de borstkas 
onder de huid 
met een lang mes 
tong en gehemelte uitsneed, 
moet ik haar aangestoten hebben, want ze gleed 
in de aangrenzende hersenen. 
Ik bedde haar in zijn buikholte 
tussen de houtwol 
toen hij werd dichtgeregen. 
Drink je dronken in je vaas! 
Rust zacht, 
kleine aster!
Gottfried Benn
Gottfried Benn
Jože Tisnikar
Jože Tisnikar 
© Večer
Menno Wigman 
Foto: Bianca Sistermans/De Beeldunie

30 mei 2023

“Er luistert toch niemand”

“Een kamer in het verleden. In het najaar van 2010 verbleven vijftien proefpersonen, die allen het woord als voertuig van hun gedachten en gevoelens hanteren, een week lang in een drijvende bungalow, aangemeerd aan een onbewoond eiland in het Lauwersmeer. Vijftien schrijvers, cabaretiers, denkers en dichters werden er eenzaam opgesloten, zonder enige vorm van elektronische communicatie met de buitenwereld. Alleen De Avondenrecorder stond hen ter beschikking, waarop zij hun belevenissen en bespiegelingen inspraken.”

12 januari 2007

Menno Wigman, ‘Het Gesticht, Drie maanden Den Dolder’

Boekomslag 'Het gesticht', Menno Wigman
Liefhebbers van het werk van de dichter Menno Wigman zullen dit boekje met veel plezier lezen. Het is het verslag van een periode van drie maanden die Wigman doorbracht in een leegstaand paviljoen op het terrein van de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder, de plaats waar ook Gerrit Achterberg eens was opgenomen.


Een stukje uit het boek:
Het dorp: een kleine, behoorlijk beschaafde gemeenschap, veel gegoede burgerij en godzijdank ook wat jongens die onnavolgbaar verveeld op het dorpsstation rondhangen. Ze rotzooien wat met sigaretten, dragen merkkleding die er, eerlijk gezegd, niet uitziet en kijken gespeeld onverschillig voor zich uit, opmerkelijk vaak richting Utrecht. Maar ze kunnen mooi hangen.
De inrichting: net zo goed een dorp – met, als ik het goed heb, bijna de helft van de inwoners van Den Dolder zelf. Wordt hier gelopen, dan worden er vooral schoenpunten bestudeerd. Je ziet meer schouders dan gezichten. Veel gehang op bankjes. Roken gaat gulzig en obsessief. The burnt-out ends of smoky days.
Het Vijfde Seizoen, zoals mijn paviljoen met een verwijzing naar Kurt Tucholsky heet, ligt het verst van de portier verwijderd, met één voet op de zoom van een onwerkelijk groot bos. Elke avond lopen hier twee mannen van Unit 14 rondjes. Mocht er iets gebeuren, dan kan ik altijd 6222 intoetsen. Tot nu toe – dit is mijn zevende dag – wordt mijn rust vooral verstoord door het doffe geronk van gevechtshelikopters die vaker dan me lief is over mijn dak razen. Met dank aan vliegbasis Soesterberg.
Hoe meer de verschillende gebouwen hun ziel prijsgeven, hoe meer ik de indruk krijg dat ik aan de achterkant, in de kont van dit dorp verblijf. Hier wordt het linnen gewassen, hier ligt de centrale keuken, het ketelhuis en het – eerlijk is eerlijk, niet meer als zodanig gebruikte – mortuarium. Toen ik gisteravond een brievenbus op het terrein ontdekte waande ik me helemaal in een dorp.
En wat die jongens op het station betreft: zo was ik ook, zo hing ik ook in Santpoort rond. Dodelijk verveelde zomeravonden waarop ik met Roel, Sander en ‘Pokkedijk’ (‘alweer een dag verpest’) in de wachtkamer rondhing.


Menno Wigman, Het Gesticht, Drie maanden Den Dolder
Uitgeverij Prometheus
ISBN 978 90 446 0896 0