17 augustus 2026
Maddy Stolk – ‘Aardappelen schil je van je af’
25 juni 2026
Daarheen en weer terug
In Nieuw-Guinea bleef een groep uit handen van het Japanse leger . Onder leiding van Willemsz Geeroms en Kokkelink overleefden ze in de bossen. Het grootste deel van de groep kwam om. Men bewaarde de hele oorlog door de Nederlandse vlag en schonken het aan Koningin Wilhelmina die Museum Bronbeek een betere bewaarplaats vond.
[...] Ik realiseerde mij plotseling hoeveel jonge mannen we hadden verloren, eigenlijk alleen nog maar in prikacties. Maanden waren voorbij gegaan. De jaren konden we ook al tellen. Daar trokken we dan sedert jaar en dag door de rimboe. Als nomaden. Een grote groep mensen, ondersteund door een paar kleine eenheden, die op verkenning uitgingen en hier en daar een stelling betrokken.Ik dacht aan soldaat De Mey, die tijdens de mars naar de kust van een steile berghelling was getuimeld. Met volle bepakking stortte hij in een twintig meter lager gelegen rivier. Hij had nog het geluk dat de rivier op dit punt zeer diep was, anders zou hij de val nooit hebben overleefd. Hij was nog bij kennis, toen zijn kameraden uit de grote groep die ons was voor gegaan, hem uit het water hielpen. De val had hem echter zoveel letsel bezorgd, dat hij niet meer op eigen kracht verder kon.De commandant stond voor een tragische beslissing. De voedselschaarste was zo nijpend, dat vertraging van het marstempo catastrofaal zou kunnen zijn. Daarom werd besloten dat de gewonde alleen zou achterblijven, in een klein bivak, dat speciaal voor hem werd opgeslagen. De kapitein beloofde hem, dat hij zo spoedig mogelijk zou worden opgehaald.Ik wist wat het betekende alleen te zijn, omringd door vele vijanden: de rimboe zelf, de Jap, vermoedelijk de bevolking, de angst, en de verbeelding, die de angst voedt. Soldaat De Mey was bovendien nog gewond. Ik vroeg mij af of ik een dergelijke beslissing zou hebben aangedurfd. Zouden er geen dragers te vinden zijn geweest in de grote groep? De Mey was er vermoedelijk zo beroerd aan toe, dat hij niet eens de omvang van de situatie doorzag. Misschien was hij wijsgeriger dan ik en had hij zichzelf voorgehouden dat aan alles een einde komt, óók aan het leven.Drie dagen en drie nachten heeft De Mey het moeten stellen met zichzelf en met de pijn. De vierde dag kwamen de militie-soldaten Attinger en Mellenbergh hem ophalen. Nu ineens bleken twee mensen voldoende om de gewonde naar het hoofdkwartier te brengen.In deze situaties doorziet men wel wat kameraadschap vermag, kameraadschap die des te sterker wordt naarmate men meer in de penarie zit. We waren allemaal opgelucht. Ik denk dat iedereen zich verantwoordelijk achtte voor het leven van De Mey. Niemand vocht de beslissing van de commandant openlijk aan, maar ik ben ervan overtuigd, dat iedereen er ongeveer dezelfde mening op na hield en gedacht heeft: Zou ik een dergelijke beslissing genomen hebben?[...]Behalve onze twee gewonden, Sandiman en Koch, was ook militie-soldaat De Mey er slecht aan toe. Hij leed aan een tropische zweer, die moeilijk te genezen bleek.De rest van de groep mocht dan weliswaar gezond zijn, maar was zo verzwakt, dat we in geval van een directe confrontatie met de vijand geen schijn van kans maakten. De langdurige ontberingen hadden teveel van ons geëist.[...]De ongelijke strijd in de Vogelkop van Nieuw-Guinea, ónze strijd mocht dan ten einde zijn, het eigenlijke, het gróte gevecht met de Jap was nog in volle gang. Er kon geen soldaat gemist worden. Van onze groep waren het F. Coenraad en I. Koch die het eerst naar het front gingen. Zij werden ingedeeld bij het Nica-detachement, dat samen met de geallieerden de landing bij Tarakan op het eiland Borneo moest uitvoeren.Sergeant M. Ch. Kokkelink kreeg een aanstelling bij de M.P. en vertrok opnieuw naar Nieuw-Guinea. L. Attinger en G. de Mey werden naar Melbourne overgeplaatst en ingedeeld bij de motorpool.
Gustaaf de MeyZevenenzestig jaar, getrouwd en woonachtig in Zevenaar. Voelt zich “eigenlijk wel een tevreden mens. Ik heb vier kinderen, die allemaal goed terecht zijn gekomen, dus wat zal ik klagen?” Geniet een klein pensioen voor bewezen diensten als beroepsmilitair. “Af en toe komt er nog weleens iets boven uit de strijd op Nieuw-Guinea. Ik heb mijn vader, moeder, drie broers en een zusje verloren, maar ik laat me niet leiden door depressies, daar schiet je niets mee op. Ik probeer optimistisch te zijn, anders is het niet vol te houden. De ellende zoveel mogelijk vergeten, dat lijkt me ’t beste.De mensen begrijpen toch niet wat wij hebben meegemaakt. En de andere guerrillastrijders zullen beamen hoe weinig blijk van waardering we later hebben gekregen, en hoe de hulpverlening nooit van de grond is gekomen. Teleurstellend, maar ’t is nu eenmaal zo.”
(^: Dit artikel was niet mogelijk geweest zonder de hulp en informatie van Michael Veltman.)
20 juni 2026
Indrukken van een zwervelinge
Het Haagse meisje Marie Christine van Zeggelen is o.m. door haar studie aan de Academie voor Beeldende Kunsten in de hofstad al gerijpt tot vrouw, eer zij koers zet naar het verre Oosten. Ongeveer een jaar zwerft ze over Java, totdat de zoveelste militaire mutatie haar gezin naar Celebes doet verhuizen. Aanlokkelijk kon men toentertijd de standplaats Soppeng geenszins noemen. De bevolking, althans een gedeelte van de bewoners in het gebied van Boni droeg nog de sporen van de expeditie onder kolonel Van Loenen in 1905.De positie van een Nederlandse vrouw op dat moment tussen enkel Indonesiërs was niet benijdenswaard. Marie van Zeggelen heeft ons dit vrij nauwkeurig beschreven in de ‘Brieven van een Zwervelinge’. Deze bundel herdoopte zij bij de herdruk in ‘De Hollandsche Vrouw in Indië’. (Ondertitel: Indrukken van een Zwervelinge. Amsterdam, z.j.).
19 juni 2026
Lezing ‘Van spekkoek tot Tjalie Robinson’
14 juni 2026
Poesiealbum Padang S.W.K., losse foto
12 juni 2026
Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 12 en 13
Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 10 en 11
Klasgenote sinds September 1949 in C.L. 1B.
Later in 2B weer samen.
[onleesbaar]
Waarschijnlijk is deze toevoeging geschreven door Winny Baume zelf, net als de toevoeging op de vorige pagina. Onder de foto staat, in een ander handschrift – wellicht van de geportretteerde zelf:
Ter herinnering aan [onleesbaar].
Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 8 en 9
11 juni 2026
Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 6 en 7
In het genoemde Orchid Stud-Book komt namelijk ook een H.E. Moojen voor. Deze persoon wordt niet genoemd als kweker, maar als eigenaar of verzamelaar van orchideeën. Er zijn aanwijzingen dat deze H.E. Moojen afkomstig was uit een Nederlands-Indische tak van de familie Moojen. Op basis van genealogische gegevens lijkt hij mogelijk te identificeren als Hendrik Eduard Moojen, een lid van een familie die in Nederlands-Indië actief was in de late negentiende en vroege twintigste eeuw.
Voor zover de huidige bronnen laten zien, is er geen directe primaire bron die bevestigt dat deze H.E. Moojen inderdaad dezelfde persoon is als de Hendrik Eduard Moojen uit de genealogische gegevens. Evenmin is er een bron die deze identificatie tegenspreekt. De beschikbare aanwijzingen wijzen wel in dezelfde richting, maar van een sluitend bewijs is vooralsnog geen sprake.
Hetzelfde geldt voor de mogelijke verwantschap met Grace Moojen uit het album. Verschillende genealogische gegevens suggereren dat de betrokken personen tot dezelfde Nederlands-Indische familie Moojen behoorden: de familie Moojen in Nederlands‑Indië was klein en geografisch geconcentreerd. Daardoor lijkt het aannemelijk dat er een familieverband bestaat tussen de Grace Moojen van het album en de familie die ook in de orchideeënliteratuur opduikt. Hoe dat verband precies loopt, blijft echter onderwerp van verder onderzoek.
Met deze informatie in het achterhoofd lijkt het goed mogelijk dat zowel de orchidee Cattleya Grace Moojen als de in 1936 geboren Grace Moojen verbonden zijn met dezelfde familie. De beschikbare aanwijzingen wijzen in die richting, maar een directe bevestiging heb ik vooralsnog niet gevonden.
Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 4 en 5
10 juni 2026
Poesiealbum Padang S.W.K., pagina 2 en 3
Poesiealbum Padang S.W.K., inleiding en pagina 1
We zien hier foto’s van de voorkant en van het boekje zoals het op de eerste pagina is opengeslagen. De tekst rechtsboven op de binnenzijde van de omslag luidt:
Winny Baume
Padang (S.W.K.)
5-11-'35
We gaan er vooralsnog van uit dat dit de naam van de eigenaar is. De afkorting S.W.K. achter de plaatsnaam Padang staat voor 'Sumatra’s Westkust', een historische geografische en bestuurlijke aanduiding uit de tijd van Nederlands-Indië.
Op pagina 1 staat boven de gekantelde tekst Bandung 6-11-'50 en onderin de naam Winny Baume, gevolgd door een handtekening. Wellicht was er ooit een foto op deze pagina geplakt.28 maart 2026
Illustraties van Kick Hofer
25 maart 2026
Carli, Frederik Hendrik (foto’s)
Op sommige stamboomsites staat als geboortedatum 1890 vermeld, maar blijkens een extract uit het stamboek bij het Departement van Oorlog (zie onderaan) is de datum wel degelijk 31 december 1889. Zijn ouders waren Adrianus Bernardus Carli en een Javaanse vrouw, die geboekstaafd staat als Paliah.
F.H. Carli is getrouwd geweest met Anna Jacoba Boyd (in sommige documenten gespeld als Boijd) en na haar overlijden met haar zuster Marie Boyd (idem). Uit beide huwelijken zijn kinderen geboren.
Het is hier niet de bedoeling een complete stamboom op te zetten, maar juist om informatie voor bestaande stambomen te bieden. Tot nu toe zijn er namelijk nergens foto’s opgedoken van Frederik Hendrik Carli. De foto’s hierboven komen uit een familiearchief van een kleindochter van F.H. Carli die in Nederland woont. Uit de tekst op de achterkant van de foto’s blijkt dat het hier gaat om:
-
Frederik Hendrik Carli, studioportret
-
Frederik Hendrik Carli en eerste echtgenote Anna Jacoba Boyd
-
Frederik Hendrik Carli en tweede echtgenote Marie Boyd
-
Paliah (bijnaam Tjang), moeder van Frederik Hendrik Carli, pasfoto
We hebben hier dus verschillende foto’s van F.H. Carli, zijn echtgenotes Anna Jacoba Boyd en Marie Boyd en, verrassend genoeg, een foto van zijn moeder Paliah, bij deze tak van de familie vooral bekend onder haar roepnaam Tjang (een naam die F.H. Carli zelf ook gebruikte, zoals blijkt uit een ansichtkaart uit Nieuw-Guinea aan Nederland).
















